Maandelijks archief november 2017

De man die een gat in je voordeur mept

Hoe Xander Bogaerts, een boormachine, de World Series en een boeman met elkaar verbonden zijn

Aruba heeft een nationale held: Xander Bogaerts. Sinds hij met Boston Red Sox de World Series won kan hij bijna niet meer over straat op het eiland. Sportschrijvert zocht hem op.

Aruba ondersteboven

Oktober 2013. Boston Red Sox treffen St. Louis Cardinals in de World Series en de Bostonians gaan op jacht naar de derde titel in negen jaar tijd. Bogaerts zit bij de selectie als bankzitter. Derde honkman Will Middlebrooks speelt slecht. Bogaerts krijgt zijn kans. Hij wordt en passant de jongste basisspeler ooit in de World Series en lost daarmee de legendarische Babe Ruth af. Achter ‘Big Papi’ David Ortiz groeit Bogaerts uit tot een van de onverwachte sterren in de World Series. De jonge Arubaan speelt nuttig in het veld en slaat honkslagen als het moet. Hij valt vooral op door zijn geduld in de slagzone: regelmatig krijgt hij vier wijd. Collega’s zeggen dat hij ijswater in zijn aderen heeft, zo koel is hij onder druk. ‘Hij lijkt in alles op een superster’, zegt de bekende sportcommentator Joe Buck. Sports Illustrated noemt hem  ‘een 21-jarig fenomeen’.

Op 30 oktober doet de 21-jarige wat geen Arubaan hem voordeed: hij wint de World Series.

Wim Martinus, Arubaan en coach van het Nederlands team, bezweert dat het eiland ‘ondersteboven’ zal gaan.

Dat wil ik met eigen ogen zien.

Op zoek naar de held

Een glas jenever valt geruisloos op het tafelkleed. Een kleine man met donker haar springt op en haalt een doekje. De vlek wordt snel groter. Ik ben op zoek naar Xander Bogaerts en nu zit ik hier, ver na middernacht, aan de westkant van Aruba in een groot huis met kale kamers en glimmende plavuizen. Op de televisie bokst Manny Pacquiao.

M’n zoektocht begon zo veelbelovend. Een kennis had de sleutels naar het paleis gevonden: een man die op Aruba regelmatig met Xander optrok. Ik noem hem chauffeur 1. Chauffeur 1 was vriendelijk, met groene ogen en een vrolijke lach. Hij floot tussen zijn tanden bij iedere knappe vrouw die we passeerden. Z’n telefoon was steeds kapot en toen hij eindelijk kwam – een dag na de afspraak – was hij een uur te laat. De telefoonproblemen waren verholpen: meerdere vriendinnen probeerden hem tegelijkertijd te bellen, een heikel zaakje dat hij met het stuur tussen zijn knieën oploste. Xander had het druk zei de man, maar dat was geen probleem, hij ging de afspraak regelen. We reden naar het strand en de man floot naar vrouwen. In een nauwe straat trok een hoertje haar topje omlaag om haar borsten te laten keuren. Een kerel met wild zwart haar stak over. Hij stompte tegen het raam van onze auto. ‘Ik heb hier nooit problemen’, zei chauffeur 1, ‘ik ken hier iedereen.’

Chauffeur 1 wisselde ik na een dag in. Overigens niet voordat hij mij vertelde dat Xander het liefst thuis is en weinig drinkt. Bij dat laatste zette chauffeur 1 grote ogen op.

Chauffeur 2 had niet dezelfde contacten als chauffeur 1. Wat gaf het: iedereen lijkt elkaar te kennen op het eiland. We zouden hem vast vinden. Op Aruba noemt niemand hem trouwens Xander met een harde ‘ksssss’ klank alsof je een kat wegjaagt, maar Zzzzzzááánder met een zachte z als in ‘zalig’.

Voor we Xander gingen zoeken had chauffeur 2 een afspraak met zijn neef. We stopten op een slecht verlicht parkeerterrein naast een supermarkt. Uit het niets verscheen een donkere man met gladgeschoren schedel. Door het open raam gaf hij een boormachine aan. ‘Fucking boormachine’, zei de man. Hij keek even naar binnen, lachte breeduit. ‘Nu ga ik boren’, zei hij en liep weg. Chauffeur 2 keek z’n neef begripvol na: door de wisseltruc had die nu een uur of twee de tijd om z’n vrouw te belazeren. Iets dat veel vrouwen op het eiland overkomt en zorgt voor permanente achterdocht. Chauffeur 2 kreeg regelmatig telefoon van zijn vrouw. ‘Ze vertrouwt mij voor geen meter’, zei hij.

Even later vertelde m’n gids over zijn eigen kinderen: de eerste bij de eerste vrouw, de tweede bij de tweede vrouw, de derde bij de eerste vrouw en de vierde weer bij de tweede vrouw et cetera. Toen ik hem vroeg of de vrouwen in kwestie dat goed vonden, antwoordde hij met een bulderende lach: ‘Goed? Nee, dat niet. Ik ben er niet trots op, maar wat kan ik er aan doen? Als ik moet neuken, moet ik toch neuken, of niet?

Chauffeur 2 bracht mij naar het huis met de kale kamers en de glimmende plavuizen.

Daar loopt de kraan. De kleine man met het donkere haar komt terug met een doekje. Hij wrijft in het kleed. Een uur geleden vertelde hij met een vette lach over zijn dagen als pooier in San Nicolas. Een ruw raffinaderijstadje aan de oostkant van het eiland waar prostitutie en drankgebruik belangrijke hobby’s zijn. Oud-hoofdklassespelers als Wim Martinus, Jan Collins en Eddy Halman komen er vandaan. Xander Bogaerts woont er ook. ‘Het is nu het ondergeschoven kindje van de samenleving, maar het was de belangrijkste plek van het eiland’, zegt honkbalcoach Tony Rombley, opgegroeid in San Nicolas. De sluiting van de raffinaderij in 2009 laat z’n sporen na. Huizen staan leeg, mensen trekken weg. Honkbal is altijd een verbindende factor in deze stad geweest. Met de jongens uit je straat strijden tegen de straat verderop, of, als je ouder werd, tegen de Amerikanen uit The Colony, de afgesloten wijk waar de Amerikaanse medewerkers van de raffinaderij woonden. Honkbal als middel om jezelf te bewijzen, om te knokken voor je buurt, je vrienden en als je goed genoeg bent: als springplank naar een mooie toekomst. Nu zijn de velden, vaak niet meer dan een grintbak, overwoekerd door onkruid of gras, met gescheurde dug-outs en vergane tribunes. Vaak zijn de velden te klein voor senioren. Diverse mensen zeggen dat voetbal de afgelopen jaren populairder was bij de jeugd dan honkbal. Volgens kenners zijn dit de gevolgen van jarenlange bestuurlijke wanorde.

Daar heeft de kleine man met het donkere haar aan de overkant van de tafel het niet over. Hij vertelt over z’n inkomen. Iedere maand gaat hij met zijn looprek naar de uitkeringsinstantie op het eiland.  Daar schuifelt hij – hoewel prima ter been – voetje voor voetje door het gebouw. De man is zogenaamd van een zwembadtrap op zijn rug gevallen. ‘Als je pijn hebt aan je hoofd of aan je rug kunnen ze nooit wat bewijzen’, zegt hij. Een uitkering is zijn beloning. Bij het laatste bezoek moest de man op z’n hoede zijn: de keuringsarts liep hem tot op de parkeerplaats achterna. Achterdochtig misschien. ‘Ze betalen mij voor dat toneelstukje’, zegt de man. Hij klinkt trots.

In eerste instantie deed ik zulke verhalen af als de zoveelste bevestiging van het clichébeeld dat Arubanen losbandig zijn of verslaafd aan uitkeringen. Maar het werden er steeds meer. De fraude met een sociale huurwoning, de man die deserteerde uit het Nederlandse leger en deed alsof hij gek was (en zijn straf ontliep), de agenten die wel langskomen bij geluidsoverlast, maar dan je barbequevlees opeten en je bier opzuipen. De verhalen zijn vast een deel van de werkelijkheid – ik ontmoet ook talloze hardwerkende Arubanen die zich keurig aan de regels houden en liefdevol met hun vrouw omgaan – maar na een paar dagen en een reeks gesprekken had ik door dat de verhalen de kern van menig man op het eiland raken. Die lijken voortgedreven door een oerkracht die ze niet kunnen bedwingen. In het dagelijks leven leiden die oerkrachten tot een realiteit die op het eerste gezicht veel vrolijker is dan in Nederland. De mensen zijn hartelijk en nergens wordt zo hard gelachen als op Aruba, maar onder het oppervlak zijn altijd spanningen voelbaar. Het is een beetje als de zee bij Baby Beach, een populair strandje aan de oostkant van het eiland. Het water is daar helder blauw als op een ansichtkaart en aan de oppervlakte lijkt er niets aan de hand, maar een klein stukje uit de kust staat een gevaarlijke stroming, onzichtbaar met het blote oog. Menig toerist wordt in de maling genomen door het sluimerende gevaar. Een Arubaan vertelt mij dat er onlangs nog iemand verdronk.

Over Xander Bogaerts zei iedereen dat hij zo rustig was en geen gekke dingend deed. Hoe wist hij in deze onrustige omgeving zijn kalmte te bewaren?

Máááááá

Het is een warme avond in Santa Cruz, ongeveer halverwege Aruba. Chauffeur 2 zoekt zijn auto. Een half uur geleden verloor Xander Bogaerts een celebrity softballwedstrijd met 10-8. Nu heeft hij andere zorgen. Op het parkeerterrein van het stadion wordt hij omringd door aanbidders. Camera’s flitsen. Z’n gezicht staat strak. Hij lacht op commando, maar je kunt voelen dat hij er genoeg van heeft. Bogaerts doet een stap opzij. Z’n ogen scannen de donkere lucht. ‘Mááá, mááá’, roept hij hard. Niemand reageert. ‘Mááááááá, roept hij nu harder en langer dan de eerste keer. Op een verhoging achter de ingang van het stadion draait Sandra Brown om. Brown hoort haar zoon en komt in beweging. De mensen om haar heen volgen, alsof ze onzichtbaar met de vrouw verbonden zijn. Als moeder haar zoon nadert, gaan de mensen haast eerbiedig opzij. Sandra Brown leidt een kale blanke man naar voren. ‘You will be great’, zegt de man tegen haar zoon. Later hoor ik dat de man een toerist is die aan een taxichauffeur heeft gevraagd waar hij de jonge held kon vinden. Bogaerts lacht beleefd. ‘Thank you’, zegt hij zacht. De toerist doet een stap terug. Z’n ogen twinkelen als een gelovige die net de paus heeft ontmoet. Drie jonge meiden nemen zijn plek in. Bogaerts lacht. Als het flitslicht uit zijn ogen trekt, draait hij zich om. Z’n blik staat doffer nu, de twinkeling is verdwenen. Bogaerts doet een paar snelle stappen, houdt z’n armen wijd als een vogel en beweegt ze zachtjes heen en weer. Moeder volgt. Ze is bezorgd.

De kracht van een moeder

‘Waar ben je?’, klinkt het ongeduldig door de telefoon, ‘we hadden toch een afspraak?’ Ik ben een beetje verbaasd. Een uur geleden sprak ik Sandra Brown. We zouden elkaar na Xanders training zien. Een tijdstip bespraken we niet, maar dat leek mij op dit eiland ook helemaal niet nodig. Kennelijk hebben we verschillende verwachtingen. ‘Als je niet over een half uur hier bent, ben ik er volgend jaar pas weer’, zegt ze bits. Ik ben even stil. Het is half december en volgend jaar lijkt heel ver weg. Is dit dezelfde vrouw die nog geen uur geleden zo vriendelijk klonk? ‘Ik heb een kwartier voor je’, zegt ze tenslotte. We hangen op.

Gene Kingsale vliegt over een onverharde weg van Santa Cruz naar Oranjestad. De auto kraakt in de bochten. Dichtbij het strand belanden we in de file, dagelijkse kost in de Arubaanse hoofdstad. Oud-prof Kingsale – tot nu toe in alles Mister Cool – vloekt zacht. Hij belt de vrouw die hij eerbiedig Miss Brown noemt. ‘Tranquillo, Tranquillo’, hoor ik aan de andere kant van de lijn. Bij een kantoorgebouw in het centrum van de stad stuif ik naar binnen.

‘Haaaalloooo’, klinkt het uitbundig. Sandra Brown straalt van top tot teen als we haar kantoor betreden. Alle strengheid lijkt verdwenen. Ze lacht en als ze dat doet word je spontaan vrolijk. In haar rode jurk met grijze stippen is makkelijk te zien dat haar zoons het sterke lijf niet van een vreemde hebben. Ze komt over als de tante die je doodknuffelt tot je niet meer kunt, maar die je met één draai om je oren doof kan slaan. Tijd lijkt plots geen enkel probleem. Ze gaat ons voor naar een kamer waar de airco zo hard blaast dat een Pinguïn er kan overleven.

Sandra Brown groeide op in een gezin met acht kinderen. Haar broers speelden honkbal. Zijdelings kreeg ze wat mee van hun liefde. Ze werd maatschappelijk werkster, trouwde met Maarten Bogaerts en kreeg drie kinderen: dochter Chandra en de tweeling Xander en Jair. Ze scheidde toen de jongens drie jaar oud waren. Moeder Bogaerts vervulde de rol van vader en moeder in één, niet ongebruikelijk op Aruba. ‘Mijn moeder is een hele taaie die weet wat ze wilt en weet hoe ze het beste uit haar kinderen moet halen’, zegt dochter Chandra,’ze is de perfecte ouder.’

Veel mensen vinden het buitengewoon dat haar kinderen keurige, beleefde burgers zijn. Ik kan de verbazing na mijn avonturen van de afgelopen dagen wel begrijpen. Misschien heeft het iets te maken met de strenge regels in de familie. ‘Je mag klappen krijgen van de oom, je mag klappen krijgen van de vriendin: iedereen houdt jou in het gareel’, zegt moeder Brown, ‘dat hoort erbij: je wordt gestraft naar gelang wat je doet dat niet mag. Bij iedereen zijn de normen en waarden hetzelfde in de omgeving. En dan krijg je kinderen die al gauw weten wat wel kan en niet kan.’

‘Ik heb echt nooit problemen met mijn kinderen gehad’, zegt ze.

Celebrity

Haar stem draagt de sporen van tientallen gesprekken: hees. Ze blaast lucht uit en gooit haar vingers op. Xanders succes heeft haar een beetje overvallen. ‘Het is gewoon veels te veel. Zo erg dat het niet meer leuk is. Jaaaaaa.’ Ze vertelt over de limousine bij aankomst op het vliegveld, de honderden kinderen die kwamen opdagen op de dag dat het veld van Xanders jeugd naar hem vernoemd werd. Iedere Arubaan lijkt een persoonlijk stuk van het succes te willen. ‘Je wordt overstelpt met op- en aanmerkingen van iedereen. Xander is een atleet en ze willen van hem een celebrity maken. Luister, vier jaar lang waren wij degenen die ‘m altijd hebben ondersteund. Niemand was er ooit. Nu wil iedereen op de voorste bank zitten en heeft iedereen commentaar. Het is zogenaamd niet meer jouw zoon, hij behoort aan ons allen. Ja, ho even, dat mag je in je hoofd zo hebben, maar de realiteit is wel even anders, hallo.’

Ze is kort stil.

‘Soms ben ik zo moe dat ik niet eens twee gedachten aan elkaar kan rijgen. Het is een hele baan om alles bij te houden. En ik heb al een baan. Het is veel. Soms moet ik hem beschermen, om te zorgen dat anderen ‘m gewoon met rust laten. Dan zeggen ze ‘die moeder van jou kijkt streng!’ Ik moet dat doen, ik moet de boeman zijn. Want het is mijn zoon en ik moet voor hem zorgen. Sommige mensen hebben geen idee van wat hij allemaal moet doen.’ Ze schat dat hij soms drie uur per dag bezig is om handtekeningen te zetten. Veel lijkt te kunnen wachten op het eiland, maar een handtekening moet perse nu.

Laatst was haar zoon amper wakker, stond er een kerel voor de deur. Hij had bij een hotel in Oranjestad geïnformeerd naar de woonplaats van de jonge held. Een hotelmedewerker had een taxichauffeur het adres van huize Bogaerts gegeven. De taxi zette de toerist af. Sandra Brown greep in: ‘Ze denken dat ze ‘m gewoon bij ons thuis langs kunnen brengen. Hallo! Toen hebben we gezegd: haal dat niet meer in je hoofd, breng de mensen niet naar ons toe. Wij gaan toch ook niet naar iemands huis toe?’

‘Je kunt het misschien niet stoppen’, zeg ik.

Ze gooit haar gelakte nagels in de lucht.

‘Je hebt niet alles onder controle’, zegt ze, ‘maar je kunt toch wel proberen bepaalde dingen af te bakenen.’

De eerste ‘nee’s zijn inmiddels verkocht. Een kind dat vroeg of Xander mee wilde met z’n spreekbeurt: nee. De kroon uitdelen bij een missverkiezing: nee. Een toespraak op een kerstdiner: nee. ‘Hij is gewoon moe’, zegt Brown, ‘Xander houdt gewoon voor ogen wat hij wil doen en bereiken. Hij wil terug naar zijn wereld, het honkbal en alles wat ermee te maken heeft. En hij blijft een atleet, dus geef m z’n kans.’

Onder de amandelboom

Hier begon het.

We staan in de tuin van een vrijstaand wit huis aan de rand van San Nicolas, in een wijk met onverharde straten, dichtbij de golfbaan. Onder een amandelboom bukt Glenroy Brown, een zestiger met de energie en het pezige lichaam van een twintigjarige. De donkere plukken in zijn witgrijze haar geven hem de uitstraling van een soort wijze uit het oosten, een honkbaltovenaar. Hij slaat net zo gemakkelijk een amandel uit de boom als een Boa constrictor dood. Als bewijs toont hij ons de foto’s van een uitgerekte dode Boa.

De broer van Sandra Brown nam een deel van de vaderrol over toen Sandra en haar man uit elkaar gingen. Glenroy Brown paste op de jongens na schooltijd en leerde ze honkballen. ‘Glenroy is ontzettend scherp’, zegt zijn zus Sandra, ‘hij droomt baseball.

In zijn hand heeft oom Glenroy amandelen. Ze zijn iets kleiner dan een pingpongbal en hard als een kiezelsteen. Deze dingen zorgden er volgens hem voor dat de jongens tegenwoordig zo goed kunnen slaan: door te oefenen met de kleine amandelen kunnen ze een honkbal beter zien. Misschien is het wel omgekeerd – hadden ze zulk goed zicht dat ze een grindkorrel nog zouden raken – maar onwaarschijnlijk is het niet. Hij leert de jongens om de amandel vroeg te raken, zodat ze meer kans hebben op een honkslag dan als je te laat raakt, aanwijzingen waar ze later van profiteren. Brown wijst naar een huis op zo’n honderd meter afstand. De mythe wil dat de jongens het huis al jong konden raken.

In deze ruige omgeving, tussen de lege flessen, oude helmen, omringd door cactussen en misschien een enkele Boa brachten de broers uren door. Zo ver verwijderd van zaken die we in het westen nodig lijken te hebben om talent te ontwikkelen (groene velden, goede materialen, een sterke honkbalbond) lijkt het nog onwaarschijnlijker dat een supertalent opgroeide. Zonder bal. Met een amandel.

Brown gaat ons voor naar de woonkamer en legt een fotoalbum op mijn schoot. De jongens in de Dominicaanse Republiek, op Bonaire, in Maine, in Kansas City. Ze kijken op ieder plaatje ontspannen, meestal vrolijk. Op jonge leeftijd reisden ze al door diverse landen in Zuid-Amerika en speelden ze tegen toptalenten uit bijvoorbeeld Curaçao als Jonathan Schoop en Jurickson Profar. Ik vraag mij af of er überhaupt momenten zijn geweest dat oom Glenroy de jongens niet fotografeerde. Vaak staan de broers samen op de foto. Jair één minuut ouder en altijd forser dan zijn broer, soms zelfs een kop groter. Jair was lange tijd de betere slagman, Xander de betere pitcher. De geruchten gaan dat hij als 16-jarige al 85 mijl per uur (136 kilometer) haalde. Door de jaren heen zie je Xander lengte inlopen en – minder goed zichtbaar op de foto’s – ook een betere speler worden dan zijn broer. ‘Jair had een sterker lichaam, Xander is sterker in zijn hoofd, heeft meer motivatie’, zegt Mitchell Martes die in de jeugd met de jongens speelde, ‘het lijkt alsof hij niet wil verliezen, nooit, hij geeft altijd honderd procent.’

Al die jaren droomden de broers van Amerika. Zus Chandra herinnert zich hoe de jongens rond hun vijfde voor de tv stonden en het Amerikaans volkslied meezongen.

Beide werden door de Boston Red Sox vastgelegd.

Xander schoot snel omhoog. Jair bleef hangen en beëindigde in 2012 z’n loopbaan.

Vader

St. Louis. 26 oktober 2013. Derde wedstrijd World Series. Red Sox-Cardinals.

In Busch Stadium zit een man. Een rij boven hem eindigt het stadion. De man houdt een verrekijker voor zijn ogen. Op het grote scherm ziet hij nummer 72, zijn zoon. Bigger than life. Maarten Bogaerts  schreeuwt het uit. Hij is de enige Boston-fan in een zee van Cardinals-fans. ‘Dat moet een of andere trotse ouder of familielid zijn’, zegt een man achter hem. ‘Ik heb niks tegen die man gezegd, maar het was geweldig’, zegt vader Bogaerts.

Hij heeft zijn zoon jaren niet gezien.

Toen vader Maarten hoorde dat Xander in de World Series zou spelen, belde hij hem met een felicitatie. ´Ik zei dat ik hem wilde zien spelen´, schrijft vader Bogaerts in een e-mail, ´hij zei dat het hem erg nerveus zou maken als ik er was.’

Maarten Bogaerts zegt dat hij niet zal gaan. Ze hangen op.

Maarten Bogaerts boekt een ticket en vliegt op vrijdag van zijn woonplaats Hong Kong, waar hij als ondernemer werkt, naar Chicago.

Alle hotels in St.Louis zijn vol. Hij rijdt vier uur naar een hotel.

Op zaterdag ziet hij de wedstrijd.

Zondag is hij terug in Hong Kong.

‘Xander wist niet dat ik er was’, schrijft vader Bogaerts.

‘Het is gecompliceerd’, zegt Chandra Bogaerts als ze zoekt naar woorden om de relatie tussen haar vader en haar broer te beschrijven, ‘Ze zijn aardig koppig. Xander is waarschijnlijk de meest koppige van ons allemaal. Als je niet met mij wilt praten, dan wil ik niet met jou praten. Zo is zijn houding ongeveer. Als mensen onderdeel van zijn leven uit willen maken, moeten ze er zijn. Daarom is hij zo gehecht aan mijn moeder. Omdat ze er altijd voor hem is geweest. De mensen aan die kant van de familie zijn in zijn ogen degenen die hem altijd gesteund hebben. Dat betekent weer dat ze de belangrijkste mensen zijn voor Xander. Als andere mensen deel uit willen maken van zijn leven kan dat, maar dan moeten ze daar heel, heel hard voor werken. Xander is in dat opzicht net als zijn vader. Ze willen dat mensen de dingen doen die zij met hen willen doen. Als je dat niet doet, dan heb je pech.’

Niemand in het gezin Bogaerts zegt een verkeerd woord over Maarten Bogaerts. De broers spreken hem af en toe. Dochter Chandra zegt dat hij klaarstaat met advies als het nodig is. Zij woont net als haar vader in Hong Kong. Ik ben benieuwd hoe hij denkt over de relatie met zijn kinderen. Vader Bogaerts is op zakenreis en beantwoordt vragen per e-mail.

Kunt u het contact beschrijven dat u met Xander heeft? Bijvoorbeeld hoe regelmatig en hoe?

‘Zo vaak als hij nodig acht. Hij is een drukke kerel.’

Is er iets dat u daaraan zou willen veranderen?

‘Nee. De resultaten in Xanders leven en zijn succes zijn de som van iedere gebeurtenis en ervaring in zijn leven.’

Is er iets dat u anders had willen doen in de relatie met Xander en uw kinderen toen ze opgroeiden? Waar bent u het meest trots op? Heeft u ergens spijt van?

‘Ik ben trots en ben altijd trots geweest op mijn kinderen en de mannen en vrouw die ze zijn geworden.’

Had u vaker contact willen hebben met Xander of uw andere kinderen en kunt u daar wat meer over zeggen?

‘We hebben contact zo vaak als zij nodig achten. Het zijn geen kinderen, ze zijn volwassenen met drukke, internationale levens.’

Vindt u het jammer dat u ver weg woont en uw kinderen, met name de jongens op Aruba, niet vaker kunt zien?

‘Nee. Het zijn geen kinderen meer en ze leiden rijke, succesvolle, gelukkige levens. Iedere ouder wenst zijn kind plezier, gezondheid, onafhankelijkheid en dat hun dromen uitkomen. Dat geldt voor mijn kinderen.’

De deur geeft niet mee                                                    

In het stadion van Santa Cruz, een plaatsje halverwege Aruba, doorbreekt een knal de stilte. Het zijn de dagen voor kerst en veel mensen op het eiland reageren verbaasd als ze horen dat er nu al weer getraind wordt. Op het eiland waar een warming-up kan bestaan uit het roken van een peuk op het veld, is deze wintertraining een gekkigheid. Xander Bogaerts weet beter. Achter het derde honk brengt hij z’n handschoen naar de grond. De bal stuitert hard op het kunstgras. Bogaerts mist. Het gebeurt hem een paar keer in de dagen dat ik op Aruba ben. Hij laat doorgaans weinig emoties zien. Jeugdvriend Martes zag dezelfde gezichtsuitdrukking vroeger na een nederlaag: ‘Aan z’n gezicht zie je niet dat hij verdrietig is of zo, maar je ziet dat hij niet honderd procent blij is, hij is een andere persoon dan. Misschien dat hij het tegenwoordig goed verbergt.’

Na een minuut of tien verhuist het gezelschap van het binnenveld naar de slagkooi achter de thuisplaat. Bogaerts wisselt een enkel woord met de jongens om hem heen, allemaal leeftijdsgenoten en prof in Amerika. Hoewel ze tegen hem op zouden kunnen kijken, lijkt hij meer een gelijke onder collega’s. In deze is Bogaerts volledig op z’n gemak. Meer dan bij de publieke optredens van de afgelopen weken. Z’n blik is steevast op de slagkooi gericht. Gretig. Zo gretig dat hij international Randolph Oduber – maatje kleerkast – bijna omver loopt als Oduber het slagperk verlaat om ruimte te maken voor Bogaerts.

Een groepje honkbalkenners bij het derde honk stoot elkaar aan: zie je dat? Ze zijn verliefd op zijn techniek. De jonge binnenvelder trekt z’n linkerbeen iets op voor hij slaat. Spelers als de talentvolle catcher Sicnarf Loopstok en international Randolph Oduber slaan ook ver, maar als Bogaerts aanzet, zijn z’n maten gezien. De ballen die het verst gaan, raakt Bogaerts nog voor ze over de thuisplaat komen. Op het punt waar de meeste kracht uit zijn onderarmen moet komen en niet meer uit zijn veel sterkere bovenlichaam en heupen. ‘Hij doet het alleen met z’n handen!’, roept oud-prof Radhames Dykhoff met een blik als een kind dat voor het eerst een olifant ziet. In het groepje rond Dykhoff wordt de verbazing gedeeld. ‘Hij is gewoon stééérk’, zegt Tony Rombley – de man die de broers Bogaerts als bondscoach onder zijn hoede had. Zijn zware stem schiet pardoes een paar tonen omhoog. Rombley: ‘Hij raakt de bal eigenlijk te vroeg en nog slaat ie ‘m eruit. Dan moet je toch wel een beest zijn.’ De lessen van oom Glenroy betalen zich uit.

Ondertussen slaat Bogaerts zijn eerste bal van de dag in de tuin van een eenvoudig wit huis achter het linksveld. Niemand in de groep doet hem dat na. Het kost de jonge Arubaan ogenschijnlijk geen moeite. Bij de tweede bal in de tuin, komt een man naar buiten met de air van iemand die al lang weet wat hij gaat zien, maar toch zeker wil weten dat er geen raket in z’n tuin is geland. Hij doet een paar stappen naar voren en draait zich om. In de deur zit een gat. De jongens op het veld lachen. De man gaat naar binnen. Bogaerts slaat nog een paar ballen in de tuin. Als hij klaar is stapt hij lachend uit de slagkooi en gooit z’n knuppel weg.

‘Begint in de minors’

Als je de krachtsexplosie ziet, lijkt het de normaalste zaak van de wereld dat Bogaerts in de Major League speelt. Als je naar z’n leeftijd kijkt is dat allerminst het geval. Vaak doorlopen spelers één niveau in de Minor League per jaar, Bogaerts raffelde er zowel in 2012 (Single A en Double A) als 2013 (Double A en Triple A) twee af. En in dat laatste jaar zelfs drie, als je de Major League meerekent. ‘Ik ben echt trots op Xander. Hij heeft dat speciale talent’, zegt oud-prof Kingsale, ‘hij speelt makkelijk. Zijn houding is volwassen. Ik vind hem een topspeler, zulke spelers kom je niet veel tegen.’ Hij tuit zijn mond als een bakker die een gebakje proeft.

De sportieve situatie van Bogaerts is even bizar als verwarrend. Z’n carrière is nog nauwelijks begonnen en ook al raakt hij de rest van zijn leven geen bal meer: hij is voor altijd een held op Aruba. Tegelijkertijd is hij nog een beginner in de Major League met 18 van de 162 wedstrijden in de reguliere competitie achter zijn naam.

‘Het ziet er echt mooi uit nu, maar het kan dat hij in Spring Training komt en ze [de Red Sox] zien niet wat ze de afgelopen jaren hebben gezien’, zegt Kingsale, ‘misschien was het een toevalstreffer of zo. Ik hoop het niet, ik denk het ook niet, maar ik heb zulke spelers gezien die het twee tot drie maanden goed hebben gedaan in de Major League, maar het volgende jaar niet weten waar ze staan, het is echt ongelooflijk. Volgend jaar wordt het jaar dat wij weten wat Xander kan doen of niet. Hij heeft een of twee maanden Major League gespeeld, dat zegt eigenlijk niks. Hij moet gewoon een jaar spelen, vijf- tot zeshonderd wedstrijden, en bewijzen dat hij in de Major League thuishoort.’ De valkuilen zijn talloos in een spel dat voor een groot deel mentaal is. Ongeveer zeven van de tien slagbeurten ga je uit. Oud-werper Radhames Dykhoff zag genoeg spelers mislukken die met tegenslag te maken kregen. ‘Als er dingen misgaan, flippen ze, doen ze stomme dingen. Je moet meer gefocust zijn als dingen misgaan. You have to have a balanced mind’, zegt de ex-werper. Het is juist Bogaerts’ geest die hoop geeft voor de toekomst. Nog meer dan z’n statistieken of z’n enorme talent. Kingsale: ‘Hij heeft echt een goede kop op zijn schouders.’

Na een van de trainingen in Santa Cruz zit Bogaerts in de dug-out. Naast hem de andere Arubaanse profs. Gene Kingsale is de coach van dienst en geeft de jonge mannen in de dug-out iets dat een donderpreek moet zijn. Kingsale maakt zich zorgen over een profwerper die niet komt opdagen en drukt de jongens op het hart ook buiten het seizoen goed voor hun lichaam te zorgen. Dat je de bars op Aruba beter links kunt laten liggen als je het ver wilt schoppen. ‘We hebben zoveel goede talenten die Major League kunnen spelen´, zal Kingsale, later zeggen, ‘maar doorzettingsvermogen en discipline ontbreekt.´

Sommige spelers laten het hoofd hangen, kijken weg. Bogaerts luistert met zijn lippen zo strak op elkaar dat je ze niet meer ziet, z’n ogen gefocust op de spreker. Dezelfde pose zie je op diverse foto’s in het familiealbum. Als hij op een honkbalveld staat, lijkt hij geen moment voorbij te laten gaan om iets op te steken. Voorspellen blijft lastig, maar je zou zeggen dat succes haast verzekerd lijkt. Mogelijke bonusfactor voor zijn carrière: hij speelt bij een team dat de laatste 82 jaar van de 20e eeuw zonder titel bleef en er in de eerste 14 van de 21e eeuw al 3 te pakken heeft.

Na afloop van de training waar Bogaerts een gat in de deur slaat, gaat een coach langs bij de man van het witte huis. Ondertussen loopt Bogaerts met gebogen hoofd rondjes om een cactus in de tuin van de buren. De man in het poloshirt vraagt of de jongens meer over de grond kunnen slaan. De coach houdt z’n gezicht in de plooi en zegt er iemand zal komen om het gat te repareren. De man van het huis zegt dat die lui toch nooit komen. ‘Het is toch zijn probleem?’, zegt Bogaerts met een lach, ‘niemand zegt dat hij z’n huis daar moet bouwen.’

Gekte deel 10

Same shit. Different Day.

‘Xander Bogaerts.’

‘Bogaerts.’

‘Zzzzzzáááááánder.’

De naam zoemt rond op het parkeertrein van het veld dat zijn naam draagt. Ouders duwen hun kinderen gehaast naar een gebouwtje met tralies voor de ramen. In het midden van een zaaltje met witte plavuizen zit Xander Bogaerts achter een tafeltje. Zo’n 25 kinderen zitten voor hem op de grond. De afgelopen uren waren ze druk als een duiventil, nu kijken ze stil omhoog. De vraag- en antwoordsessie die volgt moet de kortste ooit zijn. Vraag: ‘Waarom slaat ‘Big Papi’ David Ortiz zoveel homeruns?’ Antwoord Bogaerts: ‘Omdat hij goed is.’ De binnenvelder lacht verlegen, bijna verontschuldigend, als een man die zich ervan bewust is dat hij liever niet lang spreekt en de aanwezigen toch ieder woord wil geven dat hij eruit kan persen. Na een minuut of vier vormt zich een rij voor het tafeltje, opwinding van kinderstemmen vult de zaal. Handschoenen, knuppels, en petten worden onder zijn neus geduwd.

Klaarstaan. Glimlach. Flits. Klaarstaan. Glimlach. Flits. Dan nog een groepsfoto. Ooit stond Bogaerts zelf zo voor Andruw Jones toen de slagman van de Atlanta Braves op het eiland langskwam. Hij weet hoe de kinderen zich voelen en doet dit graag, al voelt hij de vermoeidheid van weken vol verplichtingen en aandacht. Hij wil iets terug doen voor de kinderen van zijn eiland. Samen met moeder Sandra heeft hij een stichting opgezet om de jongeren op het eiland te steunen.

Voor hij het lokaal verlaat krijgen alle volwassenen die de aanwezige jongens coachen een hand. Bogaerts kijkt nog een laatste keer om. Niemand vergeten. ‘Het is zo’n aardige jongen’, zegt Tony Rombley, ‘hij wil niemand teleurstellen, niemand in de steek laten.’ Als hij de laatste hand heeft geschud, is Bogaerts met een paar stappen buiten. Z’n auto staat vlakbij de ingang. Een truc die hij heeft opgepikt bij Fenway Park, het stadion van de Red Sox, waar de fans altijd wat van hem lijken te willen.

Van dichtbij is hij nog knapper dan veraf met een brede lach, hagelwitte tanden, lange benen en kortgeknipt haar. Klaar voor op een poster. ‘Ja’, verzucht hij, ‘overal waar ik naartoe ga, overal zie ik Xander. Wat kan ik eraan doen?’ Hij geeft het antwoord zelf: ‘Niks.’ Of het mooi is? ‘Ja, maar te veel van iets is niet goed. Ik moet twee keer denken of ik naar de supermarkt wil gaan, kijk niet meer op facebook, zo veel reacties. Het is een beetje té man. Jajaja, echt.’ Een vrachtauto trekt voorbij en toetert. Bogaerts steekt z’n hand op. ‘Ik denk dat het gewoon een beetje te overweldigend voor hem was’, zegt zus Chandra over de gekte rond haar broer, ‘omdat hij zo’n privépersoon is. Xander is iemand die niet veel praat. Hij is erg, erg stil. Erg, erg gesloten. Hij houdt niet van aandacht.’

Soms voelen de publieke optredens als een verplichting, vooral als volwassen zaken vragen ‘waar ik niks aan heb, of niks mee hoef te hebben.’ Hij houdt zich op de vlakte als ik vraag wat dat is. ‘Ik ben een kind, sommige dingen zijn nog niet van mijn leeftijd weet je. De mensen moeten een beetje begrijpen dat ik ook m’n eigen leven heb. Ik ben net als iedereen, ik ben net zoals jij: ik heb een hart, jij hebt een hart, we hebben handen, we zijn hetzelfde.’ Hij legt een hand op mijn schouder.

Ik kan het de Arubanen niet kwalijk nemen dat ze bovenop hun held springen. Veel andere helden zijn er niet, of het moeten de Koning en Koningin zijn die hier worden aanbeden. Arubanen Eugene Kingsale, Calvin Maduro, Sidney Ponson en Radhames Dykhoff gingen Bogaerts voor in de Major League. Voor Dykhoff was zijn eerste wedstrijd tevens zijn laatste wedstrijd. Kingsale is weliswaar bekend op het eiland, niet wild populair. Hetzelfde geldt voor Maduro. Ponson was een goede werper, maar hij staat naast zijn sterke werparm ook bekend om zijn slagkracht in ruzies: de pitcher mepte ooit een rechter op het strand. Daarnaast houdt Ponson van de fles. Dat laatste feit is zo wijdverbreid dat Ponson in de reisgids niet onder een kopje met lokale helden, maar als bekende gast van een populaire kroeg wordt genoemd. De keuze voor de knuffelbare Bogaerts als held van het eiland lijkt snel gemaakt. Met zijn knappe kop is hij de ideale posterboy. De lokale bierbrouwer en een telefoonbedrijf hebben ‘m al gecontracteerd.

Misschien dat met Bogaerts als uithangbord meer Arubanen de Major League halen. ‘De Arubanen hebben talent voor honkbal, net als Jamaica dat heeft voor atletiek’, zegt coach Tony Rombley, ‘dit kleine eiland heeft zoveel talenten, dat is niet normaal.’ Langzaam verandert er wat. De bond is de laatste jaren beter georganiseerd. Er is zelfs een Cubaanse coach ingehuurd. Oude velden worden opgeknapt. Op twee warme dagen in december staan tientallen kinderen op het veld bij een gratis training in San Nicolas. Ze leren hier honkballen met de luier aan, vertelt een lokale coach. Die talenten trekken zich massaal op aan één man.

‘Ik ben moe’, verzucht Xander Bogaerts op een middag, ‘nu moeten de mensen wel begrijpen dat ik moet trainen, ik moet mij echt concentreren op het honkbal. Er zijn mensen die boos gaan worden, maar wat kan ik doen?  Zij hebben hun werk op Aruba. Ik heb m’n werk in Amerika. Wie boos wil worden, wordt wel boos. Ik moet beginnen met trainen en mij focussen op het honkbal weet je.’

Misschien neemt de drukte af. Misschien niet. Zeker is dat hij terug moet naar Amerika. Om de komende jaren met Amerikaans supertalenten als Mike Trout, Bryce Harper en Manny Machado te concurreren, zal hij aan de bak moeten. In Boston verwachten ze grote dingen van de jongeling. De krant USA Today noemde Bogaerts eind 2013 Minor League Player Of The Year. Hij wordt door kenners als het kroonjuweel van Boston gezien. Zachtjes wordt gesproken over een debuutseizoen als dat van clublegende Nomar Garciaparra in 1997. (30 homeruns en een slaggemiddelde van .306). Misschien kan dat: Bogaerts sloeg in de Minor League makkelijk homeruns en een goed gemiddelde (.296). Voor het zover is, moet hij eerst Spring Training zien te overleven. Zelf zal hij het niet zo zeggen: ‘Ik ben niet iemand die in de toekomst kijkt. Ik weet niet eens wat ik morgen doe. Ik kijk gewoon naar het nu.’

Noot: De statistieken in dit stuk zijn afkomstig van www.baseball-reference.com

 

Column: Onderwereldoorlog

Er klinken harde knallen, net buiten de Tapas & Lounge Village, krap een kilometer van mijn huis in Amsterdam. De kogels vliegen door de Albert Heijn en missen ternauwernood de passerende trambestuurster. Een man die op de trambaan uit zijn auto stapt heeft minder geluk. Dood.

Het blijkt te gaan om een mislukte aanslag op Samir Z., een jonge crimineel. Onderdeel van de reeks liquidaties die in de pers soms de Mocro War wordt genoemd. Mocro vanwege de Marokkaanse-Nederlanders die bij het geweld betrokken zijn.

Mocro War. De term klinkt tot die aanslag in mijn woonbuurt redelijk veilig: een stel Marokkanen die onderling een oorlog uitvechten. De Mocro Maffia en hun Mocro War. Het gevaar van liquidaties voor mij als onschuldige burger kan ik makkelijk rationaliseren: de landelijke moordcijfers zijn al jaren laag en in Amsterdam zijn het toch vooral onderwereldfiguren die elkaar uitmoorden. Een schietpartij zo middenin de wereld waar ik met m’n dochter wandel, maakt een einde aan de illusie dat de Mocro War een coconnetje is waarin de Mocro Maffia netjes op elkaar mikt. Diverse onschuldigen zullen sterven. ‘Vergismoord’ heet het na zo’n drama misplaatst.

Die keiharde onderwereldstrijd wordt indringend beschreven in het nieuwe boek Afrekeningen. De onderwereldoorlog op straat en in de rechtszaal, geschreven door Parool-journalist Paul Vugts. Vugts noemt het conflict in de inleiding ‘een slepende onderwereldvete’. Een keuze die hij bewust heeft gemaakt. De titel Mocro War en het bijbehorende Mocro Maffia dekken volgens hem niet de lading (want geen georganiseerde maffia, want ook veel niet-Marokkanen). Daarbij is de titel te ronkend voor zijn journalistieke stijl.

Wat na de inleiding volgt, is een pijnlijk gedetailleerde uiteenzetting van een geweldsuitbarsting met meer dan 30 liquidaties in 5 jaar tijd. Een conflict dat begon met een gestolen partij coke en inmiddels in een strijd is ontaard waar niemand het einde van kent. ‘Het reservoir van jongens en jongemannen met gebroken levens die zich voor de moorden laten inschakelen, lijkt soms onuitputtelijk – al kent niemand de omvang’, schrijft Vugts. De ene aanslag is nog gruwelijker dan de andere.

Neem de moordpoging op Peter R. Ook wel ‘Pjotr’ genoemd. Hij wordt in Diemen neergeschoten na een bezoek aan zijn moeder. Peter R. heeft diverse kogels in zijn lichaam, maar weet wonderwel te ontkomen door zich in een sloot schuil te houden. De schutters denken dat ze na de aanslag veilig kunnen communiceren met hun PGP-telefoons. Inmiddels zijn die berichten ontsleuteld en blijkt dat de mannen zich vooral zorgen maken om hun eigen hachje na de mislukte moord. ‘’Ik hoop dat die kk hond dede gaat’’, zegt een verdachte over Peter R.. ‘Dede’ betekent dood. Dezelfde man later: ‘’Als ie niet dood is, gaan we niet lang zitten. Als hij dood is, gaan we lang zitten, gap.’’

De daders zijn vaak jong, zwakbegaafd en hebben een matig functionerend geweten. Hun persoonlijke geschiedenissen lezen als een aangekondigde criminele loopbaan. Vugts schrijft het vrij droog en serieus op, met hier en daar een kwinkslag. Je krijgt als lezer geen kans om een romantische boevenwereld te zien. De onderwereld is in Afrekeningen vooral een keihard milieu waarin niemand veilig is. Of je kijkt over je rechterschouder voor de politie, of je linker voor de dodelijke concurrentie. Waar je ook kijkt: de Mocro Maffia zie je niet. Die bestaat niet.

Het einde van de strijd is nog lang niet in zicht. Het is ‘wachten op nieuwe afrekeningen’, stelt Vugts. De politie doet er ondertussen alles aan om de criminelen te stoppen. En met enig succes. De rechter heeft inmiddels meerdere keren levenslang opgelegd. Niettemin is de gedachte dat er nog meer jonge levens van de straat zullen worden geschoten – en wie weet onschuldigen – haast onverteerbaar. Of zoals Paul Vugts schrijft in zijn laatste zin: ‘Het wordt de optimisten nog altijd niet makkelijk gemaakt.’

Journalist

Maarten Kolsloot is (sport)journalist, spreker, Amerikadeskundige en honkbalgek. Hij geeft op Radio 1 regelmatig commentaar over Amerikaanse verkiezingen.

Zijn artikelen verschenen o.a. in Het ParoolNUsport MagazineNRC Handelsblad. Voor het ANP was hij correspondent in de VS. Eerder schreef hij de boeken HonkbalgoudHollandse Honkbalhelden en Zo word je president. Hij reisde voor Strike out tienduizenden kilometers van Haarlem naar Aruba, Seattle naar Rosmalen en sprak met talloze betrokkenen. Hij ontdekte een verloren gewaande Picasso-tekening voor wielertijdschrift De Muur. Hij leest veel en is een hardloper.